Welkom op mijn blog.
Hier zal ik de komende tijd bijhouden wat me bezighoudt, nieuwsgierig maakt, inspireert, wat ik maak en hoe mijn laatste maanden als student Theatervormgeving eruit zien...
Kortom het proces van mijn Afstudeeronderzoek.

donderdag 17 maart 2011

Interview met Jorg Schellekens

Een nabeeld: een beeld dat nog wordt waargenomen nadat de optische prikkel is beëindigd.

Voor mij is een nabeeld een vorm van herinnering: een herinnering die beeldend is en die (naar mijn idee) inzetbaar is in het theater. Voor het creëren van een nabeeld zijn namelijk 3 dingen belangrijk:
-        tijd
-        een kader (ruimte)
-        en licht
Drie elementen die perfect te gebruiken zijn in een theatrale setting.

Als inspiratie voor mijn onderzoek heb ik een registratie van de dansvoorstelling ‘After Image’ van Janne Eraker gezien. Dit is zoals ik al eerder heb beschreven een dansvoorstelling gebaseerd op het after image effect: Optische illusie in beweging. In de voorstelling zijn twee dansers te zien die zich binnen een ruimte bewegen die belicht wordt door een stroboscoop. De belichting is echt een onderdeel van de voorstelling en stuurt de bewegingen van de dansers aan.
Voor mij is deze voorstelling op twee manieren interessant: aan de ene kant gaat het over het fenomeen nabeeld, aan de andere kant is er vanuit licht gewerkt. Twee dingen waarmee ik me in mijn onderzoek graag bezig wil houden.
Janne Eraker heeft voor ‘After Image’ samengewerkt met licht- en geluidsontwerper Jorg Schellekens. Met hem had ik gister een afspraak om hem te bevragen over de totstandkoming van ‘After Image’ en zijn ontdekkingen wat betreft de werking van het nabeeld in een voorstelling. 

Jorg Schellekens is werkzaam als geluids- en lichtontwerper bij verschillende theatergezelschappen, zoals Het toneel speelt, theater de Appel en de Toneelmakerij. Voor de voorstelling ‘After Image’ heeft hij zowel het geluids- als het lichtontwerp gemaakt. Dit kan bijna niet anders omdat geluid en licht elkaar in de voorstelling ondersteunen. Janne en Jorg kwamen er al snel achter dat je de heftigheid van de Stroboscoop alleen kan uithouden als je het effect langzaam opbouwt en als licht en geluid dezelfde focus hebben en aan elkaar gekoppeld zijn.
Bij het repetitieproces voor de voorstelling heeft Jorg veel uitgeprobeerd en onderzoek gedaan om erachter te komen hoe je het beste een nabeeld op het podium kan creëren.  Voor mij zijn al deze ontdekkingen erg interessant omdat ze een soort regelsetting vormen voor de testjes die ik voor mijn onderzoek kan gaan doen. Een aantal belangrijke regels voor het creëren van een nabeeld waarover we het gehad hebben staan hieronder:

-        Voor het creëren van een nabeeld is het ten eerste heel belangrijk om totale duisternis te hebben. Dit betekent echter niet dat er niet lichtere objecten in de ruimte kunnen staan (dit bemoeilijkt alleen je mogelijkheden om de omgeving totaal te verduisteren.)
-        Ten tweede is het erg belangrijk dat de lamp waarmee je werkt zodra je hem aanzet direct heel fel licht uitstraalt en ook niet te veel tijd nodig heeft om weer uit te doven.
-        Daarnaast moeten de flitsen niet te snel na elkaar komen, omdat je ogen en hersenen anders geen tijd hebben om een nabeeld te vormen.
-        Het is belangrijk om 1 focuspunt binnen je beeld te creëren. Anders gaat de kijker het beeld scannen in plaats van naar een punt te staren waardoor geen duidelijk nabeeld kan ontstaan.
-        Als de dansers patronen in de breedte en hoogte neerzetten, werkte dit goed, maar diepte werkt veel minder. De kijker neemt diepte dus niet echt waar.

Ik heb het met Jorg vooral over de technische mogelijk- en moeilijkheden gehad. Hoe verschillende lampen werken en waarom ze je wel of niet kan gebruiken bij het creëren van een nabeeld, op welke manier ik kleur zou kunnen inzetten en welke pauzes tussen de lichtflitsen goed werken.
Erg interessant om met iemand te praten die zo veel kan vertellen over de werking van licht en die me tips kan geven die erg bruikbaar zijn voor het vervolg van mijn onderzoek.
Het gesprek heeft me aan het denken gezet over hoe ik het nabeeld wil onderzoeken en inzetten en welke mogelijke presentatievormen hierbij goed zouden kunnen werken.
Een eenduidig antwoord op de vraag wat precies het doel van mijn onderzoek moet zijn heb ik nog steeds niet helemaal, maar daar ben ik wel weer een stukje dichterbij gekomen. 

woensdag 16 maart 2011

Update Ontwerp

De afgelopen tijd heb ik geprobeerd vanuit mijn concept om de voorstelling ‘Parasieten’ in drie delen op te delen verder te werken.
Om te beginnen heb ik geprobeerd te beschrijven wat ik precies met het voorstellingsconcept wil zeggen en waarom het stuk daarom in 3 verschillende delen opgedeeld moet worden.
- Mijn fascinatie met het stuk heeft te maken met sociale codes: de (soms ongeschreven) regels die gelden als je je in de omgeving van andere mensen begeeft. Alleen op je kamer zou je helemaal jezelf kunnen zijn, maar wie ben je zodra je naar buiten stapt? Speel je vanaf dat moment de mens die anderen verwachten te zien, of de mens die jij zelf wilt dat anderen in je zien. Waar ligt de scheidingslijn tussen ongegeneerd jezelf zijn en schijt hebben aan de wereld? Moeten we niet allemaal (af en toe) een rol aannemen om anderen niet tegen de schenen te stoten?


In de drie delen wil ik uitgaan van "drie mogelijke opvattingen van de 'werkelijkheid'."


- In deel een wordt het publiek geconfronteerd met een schijnwerkelijkheid die heel dicht bij de realiteit ligt. Het is de bedoeling dat het publiek in dit deel nog niet doorheeft dat de voorstelling al begonnen is en dat onder hen een aantal acteurs bezig zijn een rol te spelen. Het doel hiervan is dat de toeschouwers later terug kunnen kijken op dit moment en zich bewust worden van het feit dat mensen zonder dat je het merkt de schijn kunnen ophouden door te spelen dat het goed met ze gaat , zichzelf een ander imago aan te meten of zelfs een fictief personage neer te zetten.

- In deel twee komt het publiek in een theatrale setting (duidelijk vormgegeven ruimte, maar meer zoals een filmset, de theaterzaal is niet zichtbaar). Deze ruimte is het privé-domein van een of twee van de personages uit het stuk Parasieten. Misschien zijn deze personages eerst niet aanwezig: is het publiek alleen met het interieur. Als de personages binnenkomen is er een duidelijke scheiding tussen publiek en speler, maar is de afstand van de acteurs tot de toeschouwers klein. Het is de bedoeling dat de fysieke afstand tussen personage en de mensen die komen kijken hetzelfde is als die in deel 1, het verschil is alleen dat je nu niet meer kan denken dat je naar 'echte mensen' zit te kijken. De theatercode is gezet, maar wel op zo’n manier dat van een traditioneel toneelstuk nog geen sprake kan zijn. In deel 2 wordt langzaam de zogenaamde 4e wand opgebouwd.

- Het is de bedoeling dat in deel 3 de wanden van de afgesloten ruimtes waarin de drie groepjes publiek en de personages zich bevinden transparant worden en dat de schuttingen aan een kant ‘omvallen’ (de letterlijke 4e wand) waardoor de theaterzaal zichtbaar wordt.



Het publiek komt in deel 3 in de zaal te zitten en kijkt in een klassieke theateropstelling naar de rest van de voorstelling: naar acteurs die op een podium hun rol spelen.
Deze opbouw kan voor de acteurs betekenen dat ze steeds ‘groter’ moeten gaan spelen. Van realistisch (bijna filmisch) in deel een tot uitvergrotingen van de personages (voor zover die nog uitvergroot moeten/kunnen worden...) in deel drie.

Ik ben aan het nadenken over de mogelijkheid om de verschillende delen in een andere volgorde te zetten, omdat dit misschien nog andere interessante mogelijkheden kan bieden voor de opbouw van het stuk en de boodschap die het publiek meeneemt.

Qua vormgeving zit het meeste werk in het decor van deel twee. In deel 1 zal de ingreep in de ruimte nihil en zo onopvallend mogelijk moeten zijn om de illusie van een (schijn)werkelijkheid geloofwaardig te houden. De vormgeving van deel drie komt voor een groot deel overeen met de vormgeving van deel twee, allen vanuit een ander perspectief. Hierover moet dus ook nagedacht worden bij het ontwerpen van deel twee.
De sfeerbeelden van twee van de drie ruimtes staan al in een eerdere blog, (appartement van Frederike en Petrik en de ruimte waarin Multscher zich bevindt) maar ik heb inmiddels ook een idee over hoe de derde ruimte eruit kan zien. Het gaat om het huis van Ringo en Betsi: Ringo is sinds zijn ongeluk niet meer buiten geweest. Het lijkt me mooi om de ruimte waarin hij zich bevindt helemaal uit glas te maken waarvan de onderste helft ondoorzichtig/matglas is. Ringo kan (gezeten in zijn rolstoel) niet naar buiten kijken, terwijl iemand die kan staan (Betsi) dit wel kan.




 Ik wil dat gedurende deel drie het glas steeds doorzichtiger wordt (en misschien aan de bovenkant steeds matter?). Dit kan op verschillende manieren:
-        met stoom aan de ‘buitenkant’ van het raam (zodat Ringo het niet kan wegvegen)
-        door dubbelglas te maken waarvan een laag mat is en een laag doorzichtig
-        door iets waar Marcel me op wees: Variable Tint Glass (glas dat door een ingewikkeld systeem van doorzichtig naar mat kan worden veranderd en andersom). Zie het voorbeeld hieronder.





Ik heb de drie ruimtes op het toneel in eerste instantie nogal statisch naast elkaar geplaatst. Door de ruimtes op bepaalde punten met elkaar te verbinden en in elkaar te schuiven ontstaat er een spannender beeld en kan het publiek soms ook een glimp opvangen van de acteurs (en toeschouwers) in de andere ruimtes. Ik heb een aantal plattegronden gemaakt met mogelijke vormen, maar weet nog niet welke het zou moeten worden en of de juiste er al tussen zit.






Als inspiratie (en om geprikkeld te worden om weer even op een andere manier te kijken) ben ik naar het werk van een aantal architecten gaan kijken. O.a.: Coop Himmelblau en Yarışma Sonuçları.
Deze architecten werken veel met transparantie en ruimtes die deels zichtbaar zijn in andere ruimtes. 

Coop Himmelblau








Yarışma Sonuçları



Om ook mijn gedachten over het concept weer wat open te gooien gaf Trudi me de tip om een aantal dramaturgische concepten te schrijven vanuit verschillende uitgangspunten (politiek, humoristisch). Daarmee zal ik me de komende tijd ook bezighouden. 

Genoeg om te doen en denken dus!





vrijdag 11 maart 2011

Testjes nabeeld

Naar aanleiding van het zelfportret dat ik een paar dagen geleden heb gemaakt ben ik gaan onderzoeken of je ook een nabeeld kan creëren van een minder gefocust beeld. Ik heb een foto van een actuele gebeurtenis gekozen en heb daarvan geprobeerd een afbeelding te maken die nog niet direct laat zien wat de oorspronkelijke foto was, maar die zijn beeld pas echt prijsgeeft als je er lang naar kijkt en daarna je blik op een witte muur richt. Ik ben gaan spelen met de contrasten in het beeld en hoe ik die kan manipuleren zodat er een nabeeld ontstaat.
Conclusie: dit is erg moeilijk te bereiken. Ik denk dat er op deze foto te veel verschillende elementen aanwezig zijn om een helder beeld op je netvlies te vormen. 





woensdag 9 maart 2011

Inspiratie: Roland Schimmel

Kunstenaar Roland Schimmel onderzoekt in zijn schilderijen, video’s en grafieken de werking van het ‘nabeeld’. 
Hij gebruikt de werking van het oog en de relatie met de hersenen in de waarneming van kleur en vorm. 
Ik vind het interessant dat je bij deze (vaak enorme schilderijen) niet meer weet wat er nu geschilderd is en wat je ogen zelf in de beelden waarnemen.





Untitled, 1998


Roland Schimmel, Psychoscope, 2007




dinsdag 8 maart 2011

Inspiratie: Voorstelling After-Image

Dansvoorstelling After Image
en dansvoorstelling gebaseerd op het after image effect. 
Optische illusie in beweging. 
Choreografie: Janne Eraker 
Lichtontwerp: Jorg Schellekens. 
Dans: Anka Majcher en Ans Kanen. 




maandag 7 maart 2011

After Image

Vanaf vandaag regelmatig op mijn blog
Een nieuw proefje/maquette/tekening/foto/filmpje/inspiratiebron met betrekking tot het fenomeen Nabeeld.


vrijdag 4 maart 2011

Parasieten Voorstellingsconcept, Ontwerp en Proefmaquette



Inspiratie- en sfeerbeelden voor het decorontwerp bij de tekst 'Parasieten' 


Ik heb me bij het ontwerpen van het decor en de kostuums voor de voorstelling 'Parasieten' door een aantal tekstelementen en thema's laten inspireren:
- De tekstopbouw van het stuk is voor mij een inspiratie voor de vorm: De tekst bestaat uit zowel monologen, dialogen als groepsscènes. Hierdoor blijven de verhoudingen tussen de verschillende personages in het begin van het stuk vaag en leer je hen op  verschillende manieren kennen: je krijg informatie uit eerste hand via de monologen, krijgt via de dialogen inzicht in de omgang van de personages met hun naasten en kan door de groepsscènes hun gedrag binnen een groep beoordelen.
- Het feit dat eigenlijk alle scènes zich binnenshuis afspelen is in mijn ogen betekenisvol voor het stuk en de karakters van de personages. Het contrast tussen 'binnen en buiten' en de 'interne en externe' wereld van het stuk en de mensen die daarin een rol spelen, zijn voor mij het tweede uitgangspunt voor mijn ontwerp.
- Ten slotte voel ik me op de een of andere manier aangetrokken tot de personages. Ze zijn allemaal depressief, suïcidaal, eenzaam, afhankelijk en/of beschadigd, maar ik kan me tot op zekere hoogte wel in hen inleven. Ik denk dat ze gedachten belichamen die iedereen wel eens (in meer of mindere mate) gehad heeft of zal hebben. Een soort donkere kant die iedereen heeft, maar die bij de een meer naar de oppervlakte komt dan bij de ander. Of een zogenaamde ‘Dark-zone’: gedachten, ideeën of een kant van jezelf die je het liefst niet erkent of zo veel mogelijk vermijdt.
Hierop aansluitend blijft de afhankelijkheid van de personages van elkaar een interessant (en onvermijdelijk) gegeven. De personages in dit verhaal zijn in extreme mate afhankelijk, maar ik denk dat we allemaal in zekere mate afhankelijk van anderen zijn, alleen al omdat ik weinig mensen ken die het prettig vinden om altijd alleen te zijn.


Vanuit bovenstaande fascinaties met de tekst ben ik tot de conclusie gekomen dat ik niet een klassieke vierde wand voorstelling wil maken. Ik wil de tekst gebruiken als uitgangspunt voor een voorstelling die ook gericht is om het publiek een ervaring mee te geven.
Net als de opbouw van de tekst lijkt me het interessant als de voorstelling uit drie delen bestaat. Ik wil in deze drie delen uitgaan van verschillende manieren waarop je een oordeel vormt over een ander mens. Dit heeft indirect ook te maken met de expositie en de verschillende tekstsoorten die in het stuk voorkomen.

* In  deel 1 wil ik het publiek laten ervaren hoe mensen zich in de openbare ruimte gedragen. In dit geval in de foyer van een theater.

* In deel 2 wordt het publiek via het achtertoneel op het podium geleid en in 3 groepen verdeeld. Op het podium is een hoge schutting te zien met daarin 3 deuren.



Groep 1 komt via een schuttingdeur terecht bij Petrik en Frederike’s appartement. 











Groep 2 is bij Betsi en Ringo thuis


En groep 3 volgt Multscher:







De 3 korte scènes (een samenvoeging van een aantal scènes aan het begin van de tekst) die vervolgens gespeeld worden kunnen drie keer herhaald worden, maar het is ook mogelijk dat het publiek maar een van de drie personagegroepen leert kennen.

* In Deel 3 gaan 2 schuifdeuren open waardoor de 3 afzonderlijke ruimtes van de personages weer met elkaar verbonden worden en wordt de 'doos' waar in het publiek als het ware ziet (bestaande uit schuttingen) opengeklapt.



 

Hierdoor wordt de theaterzaal zichtbaar en wordt het publiek naar de zaal begeleid om met afstand en in een duidelijjke theatrale setting de rest van het stuk te zien, (waarin de personages samenkomen).

























Kostuumontwerp

Bij de kostuums wil ik het feit dat het publiek dicht bij de personages is gebruiken.
Ik wil dat het object (of degene) waarvan de personages parasiet zijn, op de een of andere manier in de kostuums verwerkt wordt.

Voorbeelden: 

- Bij Multscher die het ongeluk veroorzaakte waardoor Ringo in een rolstoel is beland, vind ik het een belangrijk gegeven dat zijn leven op het moment van het ongeluk kapot is gegaan en dat de stukjes die er nog zijn allemaal ten dienste van Ringo staan. Ik wil dat Multscher kostuum bestaat uit een soort schervenpatroon. Dit patroon is ontstaan door een portret van Ringo te verknippen en (schijnbaar) willekeurig weer in elkaar te zetten.

- Frederikes leven wordt beheerst door Petrik, haar ongewenste en ongeboren kind, maar vooral door haar doodswens. Bij haar wil ik bijvoorbeeld met polkadots gaan werken. De stippen zijn echter niet gewoon stippen, maar pillen. 


Als het publiek in deel 2 dicht op de personages zit, kunnen ze dit soort details zien, in deel drie zal het effect grotendeels wegvallen.
Misschien wil ik gaan werken met  in- en uitzoomen bij de kostuums: hoe dichter het publiek bij de personages is, hoe kleiner (in Frederikes geval) de polkadots. Hoe groter de afstand tussen de toeschouwers en de acteurs wordt, hoe groter de polkadots? Aan de andere kant is dit misschien niet nodig, omdat het publiek de details in de kostuums al gezien heeft en ze dit mee zullen nemen bij het vervolg van de voorstelling.


donderdag 3 maart 2011

donderdag 24 februari 2011

Bibracte

Ik ben nog geen twee jaar oud. Op vakantie met mijn ouders naar de Morvan. Zomer. Stralend weer en dus een weids uitzicht vanaf het uitkijkpunt bij de opgravingen van het Gallische dorp Bibracte.
Herinneringen gebaseerd op een foto: Dymph zittend op een steen.



Ik ben tweeëntwintig jaar oud. Een weekendje naar de Morvan. Winter. Hagel en mist.
Ik logeer in de buurt van Bibracte, net als afgelopen zomer toen ik de foto nog niet zo helder op mijn netvlies had staan. Nu ga ik met de foto in mijn tas terug, om te kijken of de steen van twintig jaar geleden er nog ligt.
Door de regen met de auto de berg op, van een imposant uitzicht kan in ieder geval geen sprake zijn. Van een afstand zie ik dat de steen waarop ik als tweejarige zat er nog is. Hoe dichter ik erbij kom, hoe kleiner de steen lijkt te worden. In mijn hoofd was het toch minstens 40x30 cm, op de foto in mijn  hand lijkt het best groot. 
Bij de steen blijf ik staan. 
Opeens realiseer ik me dat ik heel klein ben geweest. Dat was ik vergeten of misschien heb ik daar eigenlijk nooit zo bewust bij stilgestaan. Voor me ligt precies dezelfde steen als op de foto, maar het is niet meer dan een klinker: hooguit 20x15 cm en ik kan er met geen mogelijkheid meer gemakkelijk op zitten (al doe ik uiteraard een poging):


Door Bibracte te bezoeken, is mijn herinnering van de vakantie met mijn ouders niet naar boven gekomen. Niet zo gek, want uit onderzoek is gebleken dat eerste herinneringen gemiddeld rond het derde/vierde levensjaar ontstaan (en ik heb niet het idee dat ik onder het 'gemiddelde' val, eerder de uitschieters naar boven). - bron: Vergeetboek, D. Draaisma -

Toch heeft mijn bezoek aan Bibracte me wel ergens aan herinnerd: Het meisje op de foto ben ik. Dat wist ik natuurlijk wel,  maar ik herkende mezelf niet meer in de peuter op de steen.
Maar ik ben het echt, alleen heel veel groter.

woensdag 23 februari 2011

Dementie... Dimensie...

Bij mijn pitch was ik erg aan het twijfelen of ik nu vanuit  het thema ‘Herinnering’ te werk moest gaan of mijn onderzoek op lichtontwerp moest richten. De conclusie  op dat moment (zo’n anderhalve maand geleden) was dat ik ‘licht’ misschien beter als een middel dan als een onderzoeksonderwerp kon zien (en dat het gek zou zijn als het geen onderdeel van mijn onderzoek zou worden.)
In de gesprekken die ik de afgelopen tijd met verschillende mensen heb gehad, is steeds opnieuw naar voren gekomen dat ik erg veel behoefte heb om binnen mijn onderzoek het ‘licht’ te zien, en na ruim een maand nadenken en uitproberen concreter wil weten welke richting mijn onderzoek opgaat. Kortom: ik heb behoefte aan kadering.
Om dit voor elkaar te krijgen heb ik het subthema ‘dementie’ losgelaten, omdat dit een gegeven is dat voor mij vooral interessant is in de realiteit. Dementie heeft ontzettend veel gevolgen voor degene die eraan lijdt en de omgeving, maar is voor mij theatraal minder interessant omdat de realiteit van de ziekte al zo heftig is. Ik heb het gevoel dat het in het theater niet echt geloofwaardig en altijd gespeeld of  hypothetisch zal worden, terwijl datgene wat ik interessant aan dementie vind de onomkeer- en onontkoombaarheid van de ziekte is. 
Vanuit deze redenering is het me ook duidelijk geworden dat ik graag wil dat mijn onderzoek op de een of andere manier verband houdt met het theater. Dat het niet alleen een onderzoek naar mijzelf en mijn fascinatie met het onderwerp ‘herinneringen’ is, maar ook gericht is op de vraag hoe ik dit thema visueel kan omzetten zodat het in een theatrale setting interessant kan worden. 
Hoe kan ik een publiek een bepaalde ervaring of een beeld meegeven dat ontstaan is vanuit mijn visie op het thema herinnering?
Een ingewikkelde vraag, maar wel een mogelijke onderzoeksvraag en iets wat me een duidelijkere richting kan geven in het vervolg van mijn onderzoek.

Ik ben gaan nadenken over een vorm van herinneringen die visueel zou kunnen zijn. Guus van Geffen wees me op het fenomeen ‘nabeeld’
Het bekendste voorbeel van een nabeeld zie je hieronder: 
Kijk 30 seconden naar de zwarte stipjes in het midden van de afbeelding en kijk daarna direct naar een witte muur.


                             

Het nabeeld is datgene wat je oog waarneemt als je eerst naar een voorwerp met een grote kleurdichtheid kijkt en vervolgens naar een witte achtergrond. Het voorwerp dat je bekeken hebt staat als het ware op je netvlies gebrand en blijft daar voor een korte periode staan. Het nabeeld is qua grootte gelijke aan het origineel, maar de (eventuele) kleur is complementair: iets met een groene kleur is bij het nabeeld rood, iets zwarts wordt wit. 
Nabeelden hebben veel te maken met contrasten en voor mij ook met herinneringen omdat het feit dat een beeld blijkbaar heel even door je oog bewaard kan worden, naar mijn idee gezien kan worden als een vorm van visuele herinnering. Het lijkt me interessant om te onderzoeken hoe je nabeelden in een ‘voorstelling’ zou kunnen gebruiken, gekoppeld aan het thema herinnering/vergeten en het gegeven dat dingen met elkaar in contrast moeten staan om een nabeeld te kunnen oproepen.
Ik vraag me af hoe je het voor elkaar krijgt dat een publiek een nabeeld bewust gaat waarnemen en of nabeelden ingezet worden om dezelfde situatie/beeld een andere betekenis te geven. Ook wil ik onderzoeken of een driedimensionaal beeld (bijvoorbeeld een decor) ook een duidelijk nabeeld achter kan laten.
Als volgende stap in het onderzoek wil ik dus eerst een aantal tweedimensionale beelden en daarna een aantal maquettes maken om te onderzoeken wat het effect op een nabeeld is als je een dimensie toevoegt.
Dementie... Dimensie...  Maar twee letters verschil, maar wel een heel nieuwe invalshoek voor een onderzoek. 

woensdag 16 februari 2011


Ontwerp Parasieten

'Tegenwoordig moet je iemand halfdood rijden, als je hem wil ontmoeten." 

Multscher (personage Parasieten)

Ik werk bij het ontwerpen van decors en kostuums eigenlijk altijd vanuit de personages. Gedragingen, handelingen en houdingen van mensen vormen een inspiratiebron voor me. Het ontwerpproces start bij mij dan ook altijd met het zoeken van sfeerbeelden, foto’s en schilderijen die ik bij de personages vind passen.
Bij ‘Parasieten’ zijn de verhoudingen tussen de personen erg betekenisvol en belangrijk. Om te begrijpen en uit te vinden waarvoor de vijf personen in het stuk voor mij staan, heb ik personage-analyses geschreven. 
Hieronder een paar foto’s van gevonden beeldmateriaal en een aantal sfeerbeelden. 












Vanuit de analyses en de beelden die ik verzameld heb lijkt het me interessant om te kijken hoe de tekst en het beeld van een personage samenwerken. Trudi wees me op het fenomeen Dark-Zone, wat een benaming is voor het deel in jezelf wat je het liefste wil negeren of vermijden maar wat er (misschien diep weggestopt) wel is.
Ik wil door verschillende portretten bij dezelfde monoloog/tekst te zetten onderzoeken wat tekst met de uiterlijke verschijning van een mens kan doen. Vind je iemand er sympathieker uitzien als je niet weet dat hij een keer tegen zijn vrouw heeft gezegd dat hij haar walgelijk vindt?
Naast het vervolg van dit personage-onderzoek wil ik me de komende tijd natuurlijk ook richten op het ontwerpen van het decor, al denk ik dat dit zal voortkomen uit het antwoord op de vraag hoe ik wil dat het publiek de personages ziet/ervaart.